Een gezond wortelstelsel heeft zuurstof (O2) nodig voor de verbranding van suikers die gevormd worden door de bladeren tijdens de fotosynthese (zie Fysiologie van bladeren). De energie die daarbij vrijkomt, is noodzakelijk voor wortelgroei en voor essentiële functies zoals de opname van mineralen en voor allerlei celprocessen. Koolstofdioxide (CO2) is een bijproduct van de verbranding. De conditie van de wortels is dus rechtstreeks afhankelijk van de hoeveelheid lucht in de bodem, zijn kwaliteit (vooral het O2-gehalte) en de transportmogelijkheden door de bodem om zuurstof aan te voeren en koolstofdioxide af te voeren.

Gastransport in de bodem gebeurt door diffusie door een netwerk van poriën die onderling met elkaar verbonden zijn. Het gastransport gebeurt van zones met een hoge concentratie naar zones met een lage concentratie. Het concentratieverschil is de drijvende kracht achter het gastransport door de bodem. Elke verandering in de grootteverdeling van de poriën of de continuïteit van de verbindingen ertussen heeft een rechtstreeks effect op het gastransport. Als de verbindingen tussen poriën verdwijnen, bv. door bodemverdichting of waterverzadiging, moet de bodemlucht langere en meer kronkelige wegen zoeken om zich door de bodem te verplaatsen. De bodembeluchting wordt slechter. De wortelgroei neemt af en ook de mycorrhizavormende schimmels lijden erg onder het zuurstoftekort. Als het zuurstoftekort aanhoudt en wortels afsterven, verzwakt de boom zodanig dat hij een makkelijke prooi wordt voor secundaire belagers zoals honingzwam, of zelfs kan verwelken.